1948 Tentoonstelling Paviljoen Vondelpark.             De Waarheid 3 aug 1948  Delpher kranten Archief )

In het Paviljoen Vondelpark is een tentoonstelling te zien van beeldhouwwerk, gouaches en aquarellen van de jeugdige kunstenaar Hans Ittmann. 'Aantrekkelijk fris werk, hier en daar te en luchtig dan oppervlakkig wordend, maar meestal verrassend van kleur en opvatting.
Jammer dat ouder werk van lager gehalte een onsamenhangende indruk van de hele expositie veroorzaakt. Een keuze uit het werk van de laatste jaren zou overtuigend genoeg aangetoond hebben dat we 'hier te maken hebben met een talentvol enthousiast werker, die we graag gauw terugzien. W. K.


1949 HANS ITTMANN BIJ SANTEE LANDWEER      (Gooi en Eemlander  5 maart) Delpher Archief

Speelse fantasie en uitbundige kleurigheid hebben van de aquarellen van deze Middelburgse schilder, plezierige, genoegelijke dingen gemaakt.
Als men zijn aquarel van de gracht met de Montelbaanstoren ziet  kan men nauwelijks geloven, dat hier een Nederlander aan 't woord is. Deze woelige, kleurige kijk is heel origineel en in al zijn naïveteit toch volkomen aanvaardbaar. Niet alle aquarellen echter zijn zo realistisch bekeken.
Er is een Opgaande zon, welke volkomen duister blijft, maar de drukke ornamentiek en de levendige kleuren maken het tóch tot een mooi geheel.
De vechtende sirenen zijn eveneens als kleur interessant. Sommige krabbels in het Dictatortje doen aan Picasso denken, terwijl de Stier en het mannetje herinneren aan de cubistische formules.
Een Serenade Is ook weer grillig van vorm, totdat opeens een stadsgezicht als Square St. Jacques volkomen rustig is in een sfeer van licht lentegroen. St. Tropez, enkel wat kleurige lijntjes waartussen het witte papier overal te zien blijft, is In zijn eenvoud een aantrekkelijk 'werkje. Een korenveld in Brabant en een stadsgezicht: Rue Dominique werden hel en fel van kleur.
Er is ook enig beschilderd beeldhouwwerk, zoals twee dikbuikige heertjes tegenover elkaar, min of meer clowneske figuurtjes, wier hoofden en buiken blijkelijk als bloemvazen hebben te fungeren.
Een zittende man, In hout uitgevoerd, streng gestyleerd en vereenvoudigd in de vorm, getuigt van ernst en bezonkenheid tussen al de plezierige en vrolijke nummertjes van deze niet onverdienstelijke tentoonstelling.     H. v. C.


Hans Ittmann

Het is een beetje moeilijk met Hans Ittmann.
Door zijn werk heen kan men wel voelen, wat voor een aardige, levendige kerel hij is en zo lijkt het me niet uitgesloten, dat men in goed humeur zijn tentoonstelling bij Santee Landweer (tot 10 Maart) verlaat.
Bezwaren, welke tegen zijn pogen aan te voeren zijn, gelden vermoedelijk niet zozeer tegen hemzelf. Hij is veeleer slachtoffer van een geest, welke met de kunst lijkt te spelen en bij anderen, met naam reeds en op maatschappelijk „slagen”  uit, gevaarlijk wordt.
Begrijpelijk gebrek aan zelfkennis in een losgeslagen Wereld, tradities wantrouwend, hebben sommige knappe jongens een dermate handigheid gekregen in het overnemen van veler manieren, dat eigen persoonlijkheid steeds moeilijker te onderscheiden wordt.
Scholing bij grote tijdgenoten is goed, maar men dient zijn meesters te kiezen op grond van gevoelde verwantschap. Hoewel ook Ittmann in zijn beeldhouwwerken en aquarels evenmin toont zover te zijn, is zijn openhartigheid en spontaniteit  ontwapenend.
Zijn levendigheid doet hopen, dat hij zijn belangstelling meer op eigen ervaringen zal richten dan op andere vertolkingen van het leven. Zijn smaak en goed gevoel voor het handwerk zijn hoopvolle voorwaarden.
Zijn humor kan hem beschermen voor de ijdele bevrediging over een resultaat, dat door het werk eigenlijk van anderen hieraan Wel eens overdondert.  BOB BUYS


1952  TRIBUNAAL VAN DE BEELDENDE KUNST   Delpher Archief   De Telegraaf 17 december

Na de tribunalen der Litteratuur heeft men het nu ook noodzakelijk gevonden om zich te storten in een Tribunaal der Beeldende Kunst. Gisteravond hebben in het Internationaal Cultureel Centrum in het Vondelparkpaviljoen een hele zaal en een verdediging van beeldhouwers en kunstcritici zich bezig gehouden met de Beeldende Kunst in het algemeen en drie beeldhouwwerken in het bijzonder.
De drie aangeklaagden, wie waarschijnlijk pas over enkele tientallen jaren het laatste woord zal worden geschonken, waren de beeldhouwers Maillol, Zadkine en Ittmann. Corpora delictie respectievelijk een naakt, het bekende ontwerp „De verwoeste stad" en een abstract beeld

Getuigen a decharge: de kunstcritici Jos de Gruyter en J. M. M. van Dantzig en de beeldhouwers Hans Redeker en Cephas Stauthamer. President: mr. E. Straat. Na de geestige en beminnelijke inleiding van mr. Straat, haastten allerlei stemmen zich om te laten horen, hoe weinig hun eigenaars bevroedden, waar zij wel over spraken. Hebben wij goed geluisterd, dan viel de beeldende kunst duidelijk in twee categorieën uiteen: die mét en die zónder gaten. Terwijl het abstracte beeld van Ittmann nagenoeg zorgvuldig in de discussies werd vermeden, zijnde „tè", werd Zadkine de veelgewraakte. Hoewel nochtans Ittmann's plastiek geen gaten vertoont. ... Cephas Stauthamer sprak een waar woord, toen hij zei: Ik geneer me dood voor de collega's in de zaal, dat ik hier zit te praten". Een verontruste toehoorder had bij zichzelf kunnen vaststellen, wat nu eigenlijk het nut is van dit soort tribunalen, ware het niet, dat hij af en toe voldoende stof vond om nu eens hartelijk te kunnen lachen.De onderwerpen van discussie.' v.l.n.r. een naakt van Maillol, „De verwoest* Stad" van Zadkine en een abstract beeld van Ittmann.


1953   VERASSINGEN  BIJ  ARTI
(Deel  uit het Persbericht De Telegraaf 17 januari 1953 Delpher Kranten Archief)

Opmerkelijk is eveneens, dat de opmarcherende en niet tegen te houden “moderne kunst" ook in de zalen van Arti doordrong niet de „abstracties" getitelde houtplastieken van Hans Ittmann, waarin de sculptuur soms meer de kunst van de holten dan van de verhevenheden is. Een paar dubbelfiguren" noemde hij composities.  Als de 91 genummerde fraaie groep van een amoureus paar meer “realistisch" herkenbaar was, zou er wellicht een Ittmann schandaal en een “politionele actie" volgen. De „”halfabstracte" kunst veroorlooft vrijheden, die de meer leesbare realistische niet zo nemen kan! In een staand figuurtje met „veel te kleine" kop en borsten, haatte hii de spieren, die in de tubevormige armen en benen onderdrukt zijn. Ittmann toont verder een paar kleurige terracotta's, o.a. een vaas in de vorm van de halve figuur van een mens. Dat is weer eens wat anders dan de mensen in de vorm van een vaas.      K.Mehaus


1953 HET PALET   Arti  Amsterdam  (Algemeen Handelsblad 20 januari 1953 Delpher kranten Archief  )

Bij Arti te Amsterdam kan men ditmaal het werk aanschouwen van zes schilders, een graficus en een beeldhouwer, waardoor men zich van iedere kunstenaar een behoorlijk denkbeeld kan vormen.
Van al dezen lijkt Amp Smit degene, die over het meeste talent beschikt, hetgeen meer in zijn forse tekeningen tot uitdrukking komt dan In de schilderijen. Zijn in vrij donkere toon opgezette doeken getuigen voorlopig niet van sterk kleurgevoel. Hij werkt tamelijk fors en weet zijn modellen in grote plans te typeren.
In de portretten ligt een goed begrip voor de psychologie, maar niet altijd is de innerlijke spanning volgehouden, hetgeen vooral blijkt in de handen. Hij heeft wel het hoe en waarom van een houding begrepen, maar niet altijd voldoende doorleefd. In enkele werken.
Puin Ruimen, Straatmuzikant, de Directeur, komt een wat cynische kritiek te voorschijn, die wat geestelijke attitude betreft, enigszins verwant is aan Masereel, Na hem dient Colnot genoemd te worden, wiens landschappen en stillevens in de reeds jaren bekende trant een drukkende, broeiige atmosfeer bezitten.
Ondanks technische bekwaamheid gaat van zijn oeuvre een beklemming uit. die de hier en daar nagestreefde ruimte dooddrukt en welke ook tot grote eentonigheid leidt. Piet van der Hem en.Tan van Tongeren zijn traditioneel evenals de etser Van Duffelen. Zij hebben weinig meer vertolkt dan hun ogen waarnemen.
Het vormenspel van Hans Ittmann blijft verstandswerk en de Picasso-navolging in de twee ceramische werken is een zinloze Imitatie. - H. v. O.


1959 AMSTERDAM van DAG tot DAG Nieuwe telefooncentrale in Slotervaart
(Delpher kranten Archief  Algemeen Handelsblad  12 Mei 1959)

Zo ziet het gebouw van de telefooncentrale in Slotervaart op de hoek van de Plesmanlaan en de Ottho Heldringstraat er op het ogenblik nog uit. Een architectonische blokkendoos in optima forma, zo schrijft de heer N. W. MSkel in Werk in Uitvoering, orgaan van de dienst van P.W. van Amsterdam, van welk blad we ook de foto ontlenen.
Hoe de betonnen gevel elementen van het nieuwe gebouw worden aangebracht, behoeft geen toelichting. Deze r,.g. geprefabriceerde bouwwijze komt door de schaarste aan geschoolde bouwvakarbeiders steeds meer in zwang. Het ontwerp is van architect B. J. Odlnk van de afdeling Gebouwen van P.W.
Het gebouw van de nieuwe telefooncentrale zal in september a.s. gereed zijn. Behalve uit het betonnen bouwblok, dat men op de foto ziet, bestaat het uit een in donkergrijs-bruine baksteen opgetrokken gedeelte. waarin het kantoor van de draadomroep en de daarboven gelegen dienstwoning zullen gevestigd zijn.
Tussen deze beide bouwblokken ligt de hoofdingang met daarboven een bronzen plastiek van de beeldhouwster Lotti van der Gaag. Aan de Graafschapstraat bij het Europaplein is men begonnen met de bouw van een telefooncentrale, die veel zal lijken op die aan de Plesmanlaan.
Wel is de situering anders, wel wordt de schoorsteen minder hoog, en wel krijgen de betonelementen en de baksteenwanden een andere kleur, maar de centrale in de Graafschapstraat kan toch wel een broertje van die in Slotervaart heten.
Ook eerstgenoemde zal men voorzien van een versiering boven de hoofdingang, namelijk een grote plastiek in metaal van de beeldhouwer Hans Ittmann.


1954 Beelden in park Sonnenburgh te Voorburg: (AD 31 juli 1954  Delpher kranten Archief)


Het moge waar zijn, dat een expositie van beelden in de openlucht, zoals er dit jaar vele in ons land worden gehouden, opstellingsmogelijkheden biedt en voor het contact tussen publiek en kunst omstandigheden schept, die in museum of tentoonstellingszaal nooit bereikt kunnen worden, toch vereisen de keuze van het terrein en de plaatsing van de kunstobjecten dezelfde zorg, die men tegenwoordig algemeen aan de expositie binnenshuis besteedt.
Nu treft men niet overal een park Sonsbeek aan, waar ruime gazons en boomrijke gedeelten, ongerept natuurschoon en gecultiveerde aanleg voldoende variatie bieden om de grootst mogelijke verscheidenheid van plastieken tot haar recht te laten komen.
Park Sonnenburgh te Voorburg bijvoorbeeld, waarop de werkgroep ,,De Nieuwe Ploeg" met steun van de gemeente voor haar activiteiten beslag heeft kunnen leggen, biedt door zijn dichte bebossing en grillig lanenstelsel te weinig open ruimten om grote beelden de gewenste entourage te bieden en wanneer men er na een enorme schelp, langs een der paden een abstract „monument voor de zeilscheepvaart" met associaties van golven en een symbolisch aanduiding van touw en ballibolische aanduiding van touw en ballen in plaats van een barok Neptunus beeld aantreft, dan is het, om voor een ogenblik de openlucht te verlaten, of in de salon der Statoks een vernuftig uitgebalanceerde Calder is opgehangen: pluche en plastic, op ongelukkige wijze gecombineerd.

Dat wil niets ten nadele van het monument van Ger Gerrits (4) zeggen, dat integendeel door een suggestieve rhythmiek in zijn vormoplossingen en een boeiende doorwerking van een reëel uitgangspunt onder de inzendingen der abstracten: Carel Visser, Hans Ittmann en Breetveld een hoogtepunt vormt, noch iets aan het prijzenswaardige initiatief der Voorburgse jongeren afdoen, doch meer in algemene zin zij er hier op gewezen, dat de ware vrijheid van een verblijf in de openlucht ook naar wetten luistert.
Stond Voorburg vóór de oorlog reeds door de figuur van Termote met de beeldhouwkunst in nauwe relatie, na de bevrijding heeft er zich een kern van jongeren gevormd, die het niet aan ondernemings- en experimenteerlust ontbreekt. Van de oudste van dit viertal, A. G r e e b e, die ook in de Keukenhof exposeerde, missen de beide inzendingen (9 en 10) vormelijke klaarheid en ambachtelijke gedegenheid, eigenschappen die daarentegen het werk van R u d i Rooyackers doen excelleren, zelfs nu bekende Hagenaars en Amsterdammers hun medewerking hebben verleend. Vooral zijn „zittende vrouw " (26) kenmerkt zich door een fascinerende uitdrukking van de half-liggende, rustende houding in een door vereenvoudigde vlakken omsloten massiviteit, waarvan de zwaarte wordt opgeheven door het rhythmisch contrasterende bloemtuiltje, dat de figuur in de hand omhoog houdt; door zijn grote expressiviteit typisch een dier werken, waarvoor het Park Sonnenburgh te weinig open ruimte biedt. Beter past hier de „Fluitspeler" (29) van JanSnoeck, waarvan, omgekeerd, het vorige jaar in de Keukenhof de poëtische realisatie van het ingekeerde musiceren onder de druk der omgeving verloren ging. Sterker nog van karakterisering is zijn „Bezoeker" (30), waarin het verstilde moment van het alleen maar aanwezig zijn zonder enig afglijden naar het anecdotische in de houding is gerealiseerd. Aart van den IJssel, de laatste der Voorburgers, is blijkbaar gehanteerd door de half mythologische, half slechts psychologisch verklaarbare combinatie van paard en vrouw, waarbij hij zich door primitieve kunst heeft laten inspireren. Rekening houdend met het feit, dat hij pas het vorige jaar als beeldhouwer debuteerde, zal men hem een persoonlijk, aan vormbeheersing gestadig winnend talent niet willen ontzeggen, al is zijn schepping nog sterk eenzijdig gefixeerd. De Amsterdammer F. Dobbelmann geeft in zijn plastiek van een „Leunend meisje" (2) een typisch voorbeeld van de doorbreking van het beeldhouwwerk als volumen, waardoor de verhouding van vorm tot ruimte aan een nieuwe problematiek wordt onderworpen. Afgezien nog van het voortreffelijk getypeerde kopje is het door een open venster leunende lichaam als arabesk, waarvan het volumen tot een minimum is gereduceerd, van grote expressieve kracht en met de nodige speelsheid geobserveerd. Cerebraler zijn de reeds genoemde abstracten, die voor hun composities veelvuldig gebruik maken van metaal- of gipsdraad, zodat de ruimte als 't ware door hun werk speelt. Waar zij naar toe willen, is daarom nog niet altijd even duidelijk. Hetzelfde geldt voor de inzendingen van Theo v. d. N a h m e r, die zich thans in een sterk experimenteel stadium blijkt te bevinden. Marian Gobius, Lotti en Gerarda Rueter vertegenwoordigen het vrouwelijk element op deze expositie. die zeer gemengde gevoelens wekt. F. P. HUYGENS

   
1955   Het  Palet
  ( AD   20 sept 1955 Delpher kranten Archief)

ST LUCAS Vijf en zeventig jaar bestaat nu de kunstenaarsvereniging St. Lucas, na Arti de oudste van Amsterdam, die zich ditmaal voor haar jaarlijkse expositie een gehele benedenvleugel van het Stedelijk Museum zag toegewezen.
En wat de menselijke persoon tot dusver ontzegd is, behoort bij verenigingen tot de mogelijkheden: zij kunnen zich door jong bloed vernieuwen, principieel tot in het oneindige toe.
Leek het er aanvankelijk op, dat St. Lucas de lotsbestemming van de sterfelijke mens verkozen had, uitdovend met de laatste Methusalem onder haar leden, twee jaar geleden kwam daarin een duidelijke en verheugende kentering, die zich vooral in de sector van beeldhouwers en grafici manifesteerde, zozeer zelfs, dat het openingszaaltje vorig jaar een wat de rest van het gebodene betreft wel wat bedrieglijk avant-gardistisch karakter vertoonde.
Waarschijnlijk vooral door inrichting en toevallige samenstelling van de ingezonden werken ziet men deze lijn in de huidige tentoonstelling niet voortgezet.
Eerder is van een regressie sprake: het al te zeer overheersen van ongeïnspireerde, weinig boeiende producten met te zeldzaam een werk, dat treft en in de herinnering blijft haken. Het best komen ook ditmaal de beeldhouwers voor de dag.
Jan Wolkers maakt met Italiaans gratieuze gevoeligheid beelden, geheel vervuld van een fijn vibrerend leven, beelden die, knap van compositie, van alle kanten boeien. Zijn gehurkte moeder met kind is er een uitstekend voorbeeld van.
Geheel anders van karakter maar evenzeer begaafd blijkt een andere jonge beeldhouwer, Ubbo Scheffer, meer een figuur van de taille directe en de geabstraheerde vorm, soms zeef aan Lipchitz herinnerend (Duet en Omhelzing); bij twee bronzen gaat hij verder in een richting, die sterker in vlakken en lineaire rhythmen dan in volumen denkt. De tegenstelling keert nogmaals terug, wanneer men de tot laatste elementaire vormen teruggebrachte „Moeder en Kind" van Marja van Putten vergelijkt met de uiterst sensitief gemodeleerde terracotta , figuurtjes van Weddepohl, die hier met een meisjesbuste, een paardje en de kop van een negerin sterk vertegenwoordigd is.
Verder onder meer: abstracties in hout en ijzer van Hans Ittmann, schetsmatige kleinplastieken van Aart van den IJssel en een portret van burgemeester Matser door Irma van Rappard. Bij de schilderijen hangen twee grote liggende naakten op strategisch beheersende punten: prachtig blond naakt met in het fond verrukkelijke witten, van Jos Rovers, en als contrast een canailleus naakt met zwart haar en fel rode mond tegen een fond van felle groenen, blauwen en gelen van Jan Sluyters.
Daaromheen treffen als vanouds de Joffers, die haar zuiver en voornaam schildersras nooit verloochenen, evenmin als Bob Buys, David Schulman, Swagemakers (vooral wanneer hij los komt in zijn landschappen), terwijl Rijlaarsdam met twee sterke werken verrast: „Hoogovens" en „Industriegebied". Philipszoon, ditmaal in olieverf, overtuigt ook nu als een van de meest frisse en geinspireerde figuren: een „Zondagsschilder" met aanmerkelijk meer dan dat in zijn mars. Aquarellen en tekeningen: Theo Dobbelmann en Jan van Meurs. De ceramiek is met topfiguren als Bert Nienhuis, Dirk Hubers en Just van Deventer zoals gewoonlijk een hoogtepunt. De tentoonstelling duurt tot 23 October. Hs. R.


1956 Het Kind heeft eigen symbolen, en experimentelen kennen ze ook.

(IJmuider Krant   1 februari 1956)
    
Lezing voor “Felison” met debat als besluit.

De Schilder Beeldhouwer  H. Ittmann uit Amsterdam heeft gisteravond vooreen kleine groep getrouwen van „FeIison" in het met experimentele schilderijen volgehangen zaaltje van deze actieve, thans alweer vijf jaar bestaande kunstlievende vereniging een canserie gehouden, met als inzet de vraag „Experimentele kunstnoodzaak?"
AI had niemand op deze vraag een direct antwoord verwacht en al is het daar dan ook niet van gekomen, de heer Ittmann heeft in zijn objectieve 'uiteenzetting wel een goede gooi gedaan naar een benadering van de experimentele onder de hedendaagse schilders, ook al bleek uit het debat, dat na afloop van zijn lezing ontstond, dat de meningen even verdeeld bleven, als zij altoos geweest zijn over de konterfeitsels van Appel, Corneille, Wolvecamp, Rooskens en Armando.
Hun werken hangen namelijk tot 12 februari in het zaaltje aan de Heidestraat en vormden gisteravond een dankbaar aanvaarde toelichting van des heren Ittmann’s woorden:
Het onmiddellijke oordeel, dat velen ten opzichte van de experimentele schilderkunst bijna direct klaar hebben, namelijk,dat „het niets voorstelt en dat het dus ook niets is” wees de inleider van de hand als bijzonder onrijp en voorbarig.
Er is namelijk een mogelijkheid een oor-,deel over deze kunstuiting te geven, wanneer men althans de moeite neemt bepaalde historische feiten uit de artistieke ontwikkeling van de mensheid in hunrangorde te plaatsen.
Feiten, die dan leren dat de vroegste voorouders van de mens een zelfde opeenvolging van stijlen in hunkunstzinnige uitingen doormaakten als de afgelopen decennia lieten zien.
De moderne mens zag, hoe na het impressionisme de kleur „wetenschappelijk"werd ingedeeld en hoe de vorm terzijdewerd geschoven, hoe daarna in het kubisme die vorm juist weer streng naar vorenme die vorm juist weer streng naar voren werd gehaald en hoe met Kandinsky de abstracte kunst haar intrede deed.
Hetzelfde heeft zich in de oudheid afgespeeld:de primitiefste rotstekeningen, teruggevonden aan de voet van de Pyreneeën, in de buurt van het Centraal Plateau en in mindere mate ook in Duitsland en Zweden tonen aan, dat de aller vroegste voortbrengselen van de allereerste mens, die Europa bewoonde, een zo geraffineerde vormgeving bezitten, dat geleerden uit latere tijden vaak hebben getwijfeld aan de authenticiteit dezer tekeningen: dat was tè mooi.
Na deze wonderlijk-knappe kunst liep het  raffinement terug en de abstracties drongen door - min of meer naar het model der huidige experimentelen. Dat dit gebeurde in een tijd, dat de mens van de jacht langzaamaan overschakelde op de landbouw en dus evolueerde is dus geen wereld zonder normen.
Wellicht met een totale wanhoop en aan een ongeloof in een bepaald Godsbesef, maar verder vormloos.De causeur bond zijn gehoor op het hart niet de concrete schoonheid in dit soort doeken te zoeken, maar het contact met de kunstenaar, de „belevenis van een gevoel".
Dat er verschillende stromingen in deze moderne richting zijn, waarbij de ene schilder (Rooskens in dit geval) dichter bij compositie en kleuropbouw blijft, dan de ander (Appel, die zich volkomen losmaakt van de normen en breekt met alle tradities) werd de luisteraars duidelijk bij het nader bekijken van de geëxposeerde doeken.
Naar aanleiding van deze causerie ontspon zich een gesprek, waarin verschillende vragen opkwamen en waaruit ook bleek,dat de inleider geen volstrekte volgeling is van de experimentelen. maar hun drang in vele gevallen erkent als waar en eerlijk,hoewel ook hij de hoop koesterde op een meer sociale, gematigder uitingsvorm als resultaat van dit rusteloze zoeken naar nieuwe uitdrukkíngs middelen.   J. F.


1965  Hans Ittmann:  Een remedie tegen zwaartillendheid.
 
(Rotterdams Nieuwsblad 24 december 1965 (Archief Sted.Museum)

Een levenslustige tentoonstelling heeft 't Venster in deze feestelijke,maar ook donkere dagen.
Hans Ittmann heeft als beeldhouwer vrij grote dingen op zijn kerfstok.
Minder bekend is hij als schilder van joyeuze reisschetsen.
Hij haalt zijn motieven niet verder dan Zandvoort en Bloemendaal aan de Zee en is er toch wel zo „exotisch" mee, dat dichter staat bij de Fransman Dufy dan hij de voor ons zo Franse Isaac Israëls.
Hij is een van de zeldzame Zwaluwen die boven de vaderlandse gedegenheid, die onze nieuwe realisten zwaar maakt -een beetje lichtvoetige zomer maken.
Het zal niet onnodig zijn te betogen, dat zijn levenslustigheid geen luchthartigheid is, maar de Verheugende vrucht van een rijpingsproces dat aan de hand van ijzertjes te volgen is. Men kent wellicht de befaamde ijzeren figuurtjes van de Deen Jacobsen.
Die van Ittman behoren tot dezelfde Europese familie, welke een tikkeltje zwart Afrikaans of Polynesisch in de voorgeschiedenis heeft. Jacobsen heeft twee kanten, die hij gescheiden pleegt te houden: een abstract-constructieve en een figuratieve.
De beeldhouwer Ittman werkte vroeger in de constructivistische, de architectuur huldigende trant, die paste bij de belijdenis van de Liga Nieuw Beelden.
Hij huldigde, naar het me voorkomt, ook Pevsner en Gabo, maar zijn werk wilde eigenlijk nooit geheel abstract uitvallen geweest en zo is een geleidelijke  overgang  naar de figuurtjes van thans.
Iets van de “oude" lttman is nog duidelijk aan te wijzen in zijn „,Rationalist",een titel die wellicht enige zelf ironie inhoudt. De “kop“ van deze figuur is een spijltjeskorf die nog wel iets gemeen heeft met het spijltjeswerk van Gabo voor De Bijenkorf Rotterdam.
En tot in de voorouderbeeldjes is Ittmann wat minder lichamelijk constructivistischer, dan de met metalen figuurtjes makende Jacobsen.
De keramische plastieken, waaronder dubbelvazen,zijn naar de aard van liet materiaal iets geslotener. Overigens kan men het materiaal van de keramische „Geluksvogel” voor roestig ijzer aanzien en dat van de “Grootmoeder" voor keramiek zoals ze door Pierre Caille wordt gebakken.
Het is goed nieuws, dat de “Vogel" op deze tentoonstelling het ontwerp is voor een beeld dat vier meter groot bij een school aan de Nieuwmarkt zal komen te staan. Rotterdam wint daar een goed beeld mee,ongeacht het feit dat ik er meer een vlinder dan een vogel in zie en in die vlinder weer de bevleugelde rups, die zinnebeeldig is voor de mens. Waaruit dan weer blijkt, dat Uw recensent die de lichtvoetigheid van Ittmann begroet, zelf reddeloos behept is met wat - naar ik meen -Klant genoemd heeft „Hollands Diep",' DOLF WELLING.


1965       Het leven is een feest     Expositie “t Venster “Rotterdam 

     (De Tijd Maasbode 31 december 1965)

Onder de reeks exposities die kerstmis en Nieuwjaarsdag plegen te omkransen, neemt die van Hans Ittmann in  de Galerie 't Venster een luchtige plaats in. Deze Amsterdammer laat in schilderijen, plastieken keramisch werk en ijzerplastieken zien hoe men als kunstenaar in een zorgeloze toestand kan leven. Zijn werk straalt optimisme uit en daarbij grijpt hij, evenals Constant, vooruit naar een wolkenloze hemel.
Alleen hanteert hij daarbij niet de architectuur als een manier om zijn fantasieën in bot te vieren.
Ittmann spuit  b.v. zijn verf uit de tuben op zijn doek. Hij doet dit met vaste hand zodat er speelse lijnen in reliëf ontstaan die zijn geliefkoosd onderwerp; de vakantie, de vrije tijd als vrolijke guirlandes in frisse kleuren blauw, rood en groen omlijsten.
De stranden raken à la Dufy bevolkt met ijle figuurtjes die hij ook wel eens door elkaar laat lopen en die hij dan kudden noemt. Hij speel t ook met zijn ijzermateriaal.
Er is een ontwerp voor een school aan de Nieuwe Markt in Rotterdam, een bronzen vogel met een wijd a ambassade in Bonn.
Ook hier een speelse mengeling van lijnen in brons met maan en schip als inspirerend hoofdthema. Daarnaast staat een geestig samenstel van gebogen staven, kettingen en zwart geschilderde ijzeren vlakken.
In die tot speelse doorzichtigheid geworden mensachtige plastiek is een vleugje kritiek ondergebracht. In zijn keramisch werk vindt men iets ironisch, ook in “de Grootmoeder”, een duidelijk als plastiek kenbare open constructie uit simpele delen opgebouwd die een geraamte zonder vlees maar met twee ogen het meest nabij komt.
Ittmann maakt dus geen grootse concepties. Eerder werk dat vluchtig is, dat snel voorbijgaat, dat men een plastische of picturaal cursiefje zou kunnen noemen.      H. J, W.


1965 HANS ITTMANN: intelligent kunstenaar met fantasie en gevoel voor humor

(Het Vrije Volk  24  december  1965 Delpher Archief)

'De Amsterdamse kunstenaar Hans Ittmann, die tot 7 januari in 't Venster beeldhouwwerken, schilderijen en keramiek laat zien, heeft geen opleiding gehad aan de een of andere academie voor beeldende kunsten. Hij noemt zich autodidact;'
Vlak na de oorlog liet hij zijn vergevorderde studies voor notaris en advocaat schieten om zich aan de beeldende kunst te wijden en hij deed dat met succes. Reeds korte tijd na zijn door velen hachelijk geachte omschakeling verwierf hij een" studiebeurs, die hem in staat stelde drie jaren in Parijs te werken en zo blijkt zijn ietwat ironische uitspraak dat hij autodidact zou zijn een zelfbewuste positieve waardebepaling.
Men kan tussen de schilderijen, de beeldhouwwerken en.de keramiek moeilijk een onmiddellijk navoelbaar verband bespeuren.
Er is vooral tussen de schilderijen, en het andere werk een kenmerkend verschil.
De schilderijen zijn schetsmatige verbeeldingen van mensen in de natuur en uitgesproken naturalistisch,' zowel in de compositie als in de vormgeving van de figuren.
Niettemin zijn ze pittig gedaan in een pittige kleur en een directe, persoonlijke techniek. Toch lijkt het mij dat de kunstenaar, voorlopig wellicht, minder tot ontwikkeling is gekomen als schilder dan als beeldhouwer en keramist.
De beeldhouwwerken zijn anders; ze sluiten meer aan bij het gangbare: een aan de abstracte kunst ontleende vormgeving met een met veel fantasie gedeformeerde naturalistische basis, die in enkele, werken tot een symbolische basis wordt teruggebracht (Nr. 13 bijv.).
De stilistische invloeden in de onderscheiden werken, wekken de indruk dat hier werken uit verschillende ontwikkelingsperioden zijn geëxposeerd.
De humoristische voorouderplastieken zijn vanuit een geheel andere instelling ontstaan dan 'De Vogel', een verantwoord schetsontwerp - in brons van ongeveer vijftig cm hoog, uit te voeren, met enkele kleine noodzakelijke wijzigingen, ter hoogte van vier meter voor een school aan de Nieuwe Markt te Rotterdam. Al zal voor velen de vogel niet onmiddellijk te herkennen zijn, het kan goed worden. Het ding werkt ruimtelijk, het heeft expressie.
Van geheel andere opvatting getuigt het schetsontwerp Maanschip, dat is uitgevoerd in brons ter hoogte van vijf meter voor de Nederlandse ambassade te Bonn. Het is een suggestieve, een rijke plastiek. Vormgeving en compositie zijn ontstaan met, de steun van een rijke fantasie, een ' inhoudsvolle, geestelijke achtergrond en een gedegen technische vaardigheid.
Eén van de sterkste plastieken- leek mij ook de Rationalist (No: 13). De medemens telt weer mee in de kunst der laatste jaren, ook bij Ittmann.
Opvallend persoonlijk is Ittmann ook in zijn keramische producten, die eensdeels ook vazen voor bloemen zijn, anderdeels als abstracte plastieken zijn opgevat.
Ittmann is een intelligent kunstenaar, met een rijke fantasie,' een gezonde menselijkheid, een gezond gevoel voor humor en 'n natuurlijke aanleg voor het vakkundige.
Hij is de veertig gepasseerd en men mag dus verwachten dat hij zich zal handhaven, dat hij zich verder zal ontwikkelen.


1967     Grafiek en sculpture in de Utrechtse Kring

Utrechts Nieuwsblad  6 juni 1967 (Deel uit het persbericht  over de werken van V. Elenbaars en H. Ittmann)

Dat de beeldhouwer Hans Ittmann eveneens meerdere pijlen op zijn boog heeft, blijkt wel uit de gevarieerdheid van zijn inzending. IJzer sculpturen, als die puntig toelopende, half opengevouwen exemplaren, die bijwijlen aan klapwiekende vogel doet denken, wisselen af met andere ,samengesteld als het ware uit met snaren bespannen vlakken.
Duidelijk openbaart dit verschijnsel zich in de sierlijke constructie “Nachtboom”, in de “Gebroken orde “, “Teken”, “Gouden Vogel “en nog enkele soortgelijke stukken.

Andere voorbeelden van Ittman’s scheppende fantasie in metaalwerken zijn de curieuze zeshoekige  bouwsel, getiteld “Honingraat” en voorts ‘De Dirigent”, “Herfstboom””Danseres” “Magisch Teken “  “Masker” “Schelp “ en “Militair”. (Dit laatste wekt, waarschijnlijk niet toevallig associaties met een machine ).

Min of meer visionaire keramische plastieken, zoals “Oermoeder “, “Huwelijk”,en “De Regent”belichten weer een apart facet van het kunnen van deze exposant, wier architectonische begaafdheid  voorts tot uiting komt in een maquette voor de houten wand van het Amsterdamse Wibauthuis ( 22)

Ten slotte zij gewezen op zijn fascinerend Opus in ijzer met gekleurde kralen, genaamd “Het Geweten”, Op “Tragische Voorouder” (16) en het kostelijk geestige “Maanschip”(4) dat als ’n spirituele vondst verdient te worden begroet.  J.J.